Detail

Archiefcategorie├źn: 1 Algemeen openbaar bestuur
1.1 Lokaal bestuur
001 Stad Goes

Bestandsnummer001

  •  Inleiding
    • Organisatie van het stedelijk bestuur

      De plaatsnaam Goes is waarschijnlijk afgeleid van de kreek De Corte Gos. Mogelijk was daaraan reeds in de tweede helft van de 10de eeuw een nederzetting te vinden, die haar naam aan de kreek te danken heeft (1). Die nederzetting heeft noordwestelijk gelegen van het huidige centrum van Goes (2). In 1134 werd Zeeland en ook Goes getroffen door een stormvloed, die de kleine nederzetting voor het grootste deel verwoestte. Kort na deze vloed werden dijken aangelegd, waarbij het oude Goes werd buitengedijkt en het nieuwe Goes naar het zuiden werd verplaatst. (3) Het gebied ten noorden werd waarschijnlijk in de tweede helft van de 13de eeuw op de zee teruggewonnen: de Goese polder. Tegen de haven aan ontstonden nog twee poldertjes, het Jan Pietersz. en het Pieter Pinckspoldertje, die in 1571, na de Allerheiligenvloed, als één polder werden herbedijkt. (4) 

      ln het nieuwe Goes verrees het slot Oostende en een nieuwe kerk. De heerlijkheid Goes behoorde toe aan de familie Van Borsele. Hun goederen werden, omdat zij de Vlaamse zijde kozen, door de Hollandse graaf verbeurd verklaard. In 1315 werd Goes geschonken aan een broer van de graaf Jan van Beaumont. In 1397 kwam de heerlijkheid weer aan de graaf. Werd Goes tot dusverre nog steeds dorp genoemd, in 1405 noemt graaf Willem VI het stad en met uitzondering van een charter uit 1406 werd deze aanduiding 'stad' vanaf dan steeds gehandhaafd (5). Een stadsrecht, zoals andere steden dat kennen, is aan Goes nooit uitdrukkelijk  verleend; haar status als zodanig werd echter steeds erkend.

      In deze tijd, de 14de en 15de eeuw, beleefde de stad haar grootste bloei. Jacoba van Beieren schonk in 1417 het recht de stad te ommuren en het recht om een jaarmarkt te houden. Een nieuwe kerk, gewijd aan de H. Maria Magdalena, verrees in de stad. In 1433 werden Goes en Zuid-Beveland toegewezen aan Jacoba van Beieren, na haar definitieve afstand als gravin ten gunste van haar neef, Philips de Goede. Na haar dood, in 1436, kwam de stad weer aan de graaf en bleef sindsdien voorgoed in zijn bezit.

      De stad breidde zich in de 15de eeuw snel uit. In 1444 kocht de stad 100 gemeten grond van de ambachtsheer van Kloetinge, waardoor de zogenaamde 'Voorstad' binnen haar jurisdictie kwam te liggen. Handel en nijverheid bloeiden onder de Bourgondische vorsten, Goese schepen verschenen in Engeland en op de Oostzee. De lakennijverheid kende zijn hoogtepunt in de 15de eeuw, een industrie die echter verloren ging. Ook de zoutindustrie gaf een belangrijke impuls tot de opbloei van de stad. Het zout — in 1493 waren er 40 zoutketen — werd uitgevoerd naar Duitsland en België. Steeds meer werd Goes de hoofdplaats van Zuid-Beveland ten koste van de andere stad op het Zeeuwse eiland, Reimerswaal, die aan betekenis inboette.

      De 16de eeuw bracht een reeks van rampen, zoals de stormvloed van 1530. De haven verzandde en tot overmaat van ramp brandde in 1554 vrijwel heel het noordwestelijk deel van de stad af. Goes verarmde daardoor sterk. Het aantal inwoners daalde onrustbarend. Ook had de stad te lijden van de oorlogshandelingen in het begin vande Tachtigjarige Oorlog. In 1572 werd Goes, dat de zijde van de Koning bleef houden, belegerd door de troepen van Prins Willem van Oranje. Na ontzet door de Spaanse troepen en hun vertrek in 1577 kon de balans worden opgemaakt. Veel huizen waren verbrand, talloze inwoners waren weggetrokken en de handel was tot een minimum gedaald. Door middel van de Satisfactie van Goes stelde de stad zich in 1577 onder het bewind van Prins Willem van Oranje (6).

      Langzaam kon begonnen worden met de herbouw. Nieuwe verdedigingswerken werden rond de stad en haar haven aangelegd. Dit gebeurde onder supervisie van Prins Maurits. De handel bloeide weer op en al spoedig werd Goes het landbouwcentrum voor Zuid-Beveland. Haar graanmarkt was tot ver in de omtrek befaamd. De handel in landbouwproducten zou tot in deze eeuw een van Goes' belangrijkste bestaansmiddelen blijven.

      In 1615 kocht de stad, na een langdurig proces met Prins Maurits, de heerlijkheid Borsele, die sinds 1530 ondergelopen was. De stad herdijkte de heerlijkheid en verkocht deze weer in 1750 aan jhr. Jan van Borsele (5). Ook op vele andere terreinen verkreeg de stad een greep op het platteland van Zuid-Beveland.

      Aan het hoofd van het stadsbestuur stond de baljuw. Hij werd aangesteld door de ambachtsheer, was niet alleen vervanger in al diens hoedanigheden, maar ook gerechtsofficier. De ambachtsheerlijke baljuw ontwikkelde zich op het eind van de 14de en het begin van de 15de eeuw tot een stadsbaljuw (7). In 1413 gaf graaf Willem VI een privilege, waarbij hij beloofde, dat het baljuwschap nooit met geld beleend zou mogen worden. Niettemin werd het in de 16de eeuw verpacht. Ook op politiek gebied had de baljuw grote invloed, die op het eind van de 16de eeuw en in de 17de eeuw steeds verder afnam.

      De baljuw werd bijgestaan door een schout, die hem verving. Beide functies werden in de eerste helft van de 16de eeuw in één persoon gecombineerd. Later werden opnieuw, hoewel niet regelmatig, schouten aangesteld. Na de landsheerlijke tijd werd de baljuw gekozen door de Staten van Zeeland, later door de stadhouder, uit een voordracht opgesteld door het stadsbestuur. De burgemeesters, steeds twee in getal, waren met de negen schepenen belast met zowel zaken van het bestuur als van justitie. De burgemeesters waren aanvankelijk ook belast met het beheer van de financiën. In 1412 gaf Willem VI toestemming om hun rekening van ontvangsten en uitgaven te laten goedkeuren door het oude en nieuwe gerecht en een deel van de rijkste poorters.

      In 1468 kreeg Goes een belangrijk privilege. Karel de Stoute bepaalde, dat de verkiezing van het nieuwe stadsbestuur voortaan zou geschieden op St. Jan Baptistendag (24 juni). De eerste twee burgemeesters en negen schepenen zouden nog door de graaf worden aangesteld. Daarna zouden het ene jaar een burgemeester en vier schepenen aftreden en het andere jaar een burgemeester en vijf schepenen. ledere burgemeester en elke schepen had derhalve een zittingsperiode van twee jaar; zij waren niet terstond herkiesbaar. De aftredende burgemeester maakte met de twee stadsrentmeesters en twee notabele burgers "uit de rijkdom" (de oudermannen of kiesheren), die geen deel mochten uitmaken van het stadsbestuur, een voordracht op van twintig notabele poorters, die moesten kunnen lezen en schrijven. De voordracht werd 14 dagen voor St. Jan overhandigd aan de baljuw. Op 24 juni kozen de burgemeester en schepenen, die zitting bleven houden, hieruit hun nieuwe medebestuurders. Bij tussentijdse vacatures kozen de burgemeesters, schepenen en baljuw, gezamenlijk een nieuwe bestuurder. Door dit privilege verkreeg Goes een unieke verkiezingsmethode van het eigen bestuur. lmmers geen stad in de latere Republiek had oorspronkelijk zulke vergaande bevoegdheden om zelf niet alleen de eigen burgemeesters te kiezen, maar ook de eigen schepenen. 

      De graaf behield alleen nog de bevoegdheid aan zich om wanneer hij in Goes was zelf nieuwe burgemeesters en schepenen te kiezen. (8).Een raad kende Goes in de middeleeuwen niet. Wel werden bij de belangrijke zaken vertegenwoordigers van de burgerij, ook wel de rijkdom genoemd, gehoord. Later vond overleg plaats met de dekens van de gilden en vanaf 1511 met de overdekens van die gilden, "elvenaers" geheten. Tot in de 17de eeuw vond, hoewel toen nog maar zeer zelden, overleg plaats. Tot een vast college ontwikkelde zich dit echter niet.

      Hoewel het privilege van 1468 Goes volledig vrijheid van handelen had gegeven bij haar verkiezingen vannieuwe bestuurders, betekende dit niet, dat alles ook zonder moeilijkheden verliep. lntegendeel, herhaaldelijk verliepen de verkiezingen met veel ruzies, evenals die van de twee stadsrentmeesters. In het bijzonder in 1657 liepen de gemoederen zo hoog op, dat de ruzies twee doden eisten. ln 1692 moest de koning-stadhouder Willem lll zelfs zijn troepen naar de Ganzestad zenden om na een kortstondig beleg orde op zaken te laten stellen (9).

      Aan één van de zaken, die de meeste moeilijkheden veroorzaakte, namelijk de inmenging van de baljuw — al in 1413 werd bepaald dat hij geen "seggen" had in de verkiezingen — werd definitief een einde gemaakt door het reglement, dat de Staten van Zeeland in 1704 vaststelden. Hierin werd bepaald dat de baljuw geen stem had bij geen enkele verkiezing en dat de leiding daarvan berustte bij de burgemeester.

      Verdergaande wijzigingen bracht het reglement van 6 juni 1720. Volgens dit reglement werd een raad in het leven geroepen, die uit 21 personen zou bestaan, die in principe voor het leven zitting zouden hebben en waarin waren begrepen de twee burgemeesters. De eerste maal werden ze gekozen door de Staten van Zeeland en daarna door de raad zelf. Voor het raadslidmaatschap kwamen in aanmerking personen uit de vooraanstaande burgerij, die tenminste drie jaar poorter moesten zijn of gedurende één jaar getrouwd moesten zijn met een Goese ingezetene. Ze moesten lid zijn van één van de drie schutterijen en lidmaat zijn van de Hervormde kerk. De raden moesten tenminste 20 jaar oud zijn, de schepenen 22 jaar en de burgemeesters minimaal 30 jaar. De raad werd belast met alle zaken over het bestuur. De taak van de schepenen beperkte zich uitsluitend nog tot de rechtspraak. Eerst vanaf 1720 is er door dit reglement een scheiding gekomen tussen de rechtspraak en het bestuur in de stad (10).

      Na het herstel van de stadhouderlijke macht in 1747 behield de raad niet het recht om zelf nieuwe leden aan te stellen, maar koos de stadhouder een raadslid uit een voordracht van twee personen. Ook koos de stadhouder na 1747 de nieuwe burgemeester en schepenen uit de voordracht van twintig personen, opgesteld door de aftredende burgemeester, de twee oudermannen en de twee stadsrentmeesters.

      De vergaderingen van de raad werden geleid door de eerst regerende burgemeester. De burgemeesters moesten tenminste drie jaar raad zijn geweest of voor die tijd schepen en moesten ten minste 30 jaar oud zijn.

      De samenstelling van het stadsbestuur werd ook in Goes in belangrijke mate beheerst door familierelaties. De eerste schriftelijke overeenkomst tussen leden van de magistraat over de verdeling van de ambten dateert al uit 1670. ln 1722 werd een "akkoord van vriendschap" opgesteld, dat de verdeling van alle ambten tot in de details regelde en dat door het merendeel van de magistraatsleden werd ondertekend. Hoogoplopende conflicten over de verdeling van de ambten bleven daardoor achterwege (11).

      Het stadsbestuur werd bijgestaan door twee secretarissen. Aanvankelijk had de stad ook een eigen pensionaris in dienst, maar nadat die functie al geruime tijd onvervuld was gebleven, werd in 1629 besloten het ambt af te schaffen. De werkzaamheden waren reeds overgenomen door één van de secretarissen, die de vergaderingen van de Staten van Zeeland bijwoonde. De andere secretaris hield zich in hoofdzaak bezig met de huishoudelijke zaken van het stadsbestuur en vervulde tevens de functie van griffier van het landrecht en klerk van de weeskamer. ln 1662 kregen de secretarissen een opperklerk toegevoegd en vanaf 1671 een onderklerk (12).

      Sedert 1438 werden de geldmiddelen beheerd door twee rentmeesters. Ze werden jaarlijks op 24 juni door de baljuw, burgemeesters en schepenen gekozen. ln 1460 werd deze datum veranderd in een dag tussen Kerstmis en Drie Koningen (6 januari). Later werd als vast tijdstip 26 december aangehouden. De rentmeesters moesten 36 jaar oud en drie jaar poorter zijn. Ze mochten geen schout, burgemeester of schepen (later ook raad) zijn en moesten gegoed zijn voor een bedrag van 200 Engelse nobels. Later werden deze voorwaarden versoepeld. Eén van de rentmeesters, de administrerende, verrichtte de eigenlijke werkzaamheden, de ander hield toezicht (10).

      Met het toezicht op eigendommen en openbare werken waren drie stadsdirecteuren belast, aangewezen uit de raad, die een stadsfabriek onder zich hadden en de dagelijkse leiding in handen hadden.

      In de 17de en 18de eeuw kende men ook wel de functie van pensionaris-honorair, doch dit was slechts een erebaantje, dat recht gaf om de vergaderingen bij te wonen. De aftredende burgemeesters werden steeds tot pensionaris-honorair benoemd en ook kon dit ambt in later tijd wel gekocht worden.

      Goes was in het bezit van de criminele en civiele rechtspraak zonder uitzonderingen. Het rechtsgebied omvatte de gehele heerlijkheid Goes met inbegrip van de Goese polder, het Goese ambacht en de zogenaamde Voorstad. Gedurende de jaren dat de heerlijkheid Borsele in het bezit was van de stad sprak de vierschaar van Goes ook recht in hoger beroep in zaken, die eerst behandeld waren door het gerecht van Borssele.

      In 1772 werd een college van kleine zaken ingesteld door het stadsbestuur om kleinere zaken sneller te kunnen afdoen en om de proceskosten voor minder vermogenden laag te houden. Het college bestond uit vier commissarissen, die gedeeltelijk uit de raad en gedeeltelijk uit de vooraanstaande burgerij werden gekozen. Bij de vier commissarissen werd een president aangewezen uit de raad. Beroep op vonnissen was mogelijk bij schepenen (13).

      ln het begin van de Tachtigjarige Oorlog probeerde de stad de rechtspraak over geheel Zuid-Beveland naar zich toe te trekken. Tijdens het beleg van Middelburg werd haar die in november 1572 toegekend. 
      In 1578 deed de stad veel moeite de rechtspraak in criminele zaken over Zuid-Beveland aan zich te houden, daarin gesteund door de Zuid-Bevelandse parochies. Prins Willem van Oranje wees het verzoek echter af en deze rechtspraak kwam tenslotte weer aan Middelburg. 

      Wel behield de stad het landrecht, dat voor de overgang uitgeoefend werd door provisor en deken. Het landrecht hield de rechtspraak in over schuldvorderingen van poorters van Goes op inwoners van Zuid-Beveland. Volgens een octrooi van gecommitteerde raden van de Staten van Zeeland werd voor het landrecht een college ingesteld bestaande uit drie commissarissen, die voor de eerste keer door gecommitteerde raden werden aangesteld, maar later door burgemeesters en schepenen werden gekozen (14). 

      In 1672 belastten de Staten van Zeeland Goes met de rechtspraak in zaken van fraude en overtredingen tegen de gewestelijke belastingen over Zuid-Beveland (5).

      De weeskamer werd opgericht bij octrooi van 16 november 1485, gegeven door Maximiliaan van Oostenrijk. Een verordening werd door het stadsbestuur vastgesteld in 1494 en later, in 1563 en 1622 gewijzigd. De weeskamer werd gevormd door vier weesmeesters of weesheren, die belast waren met de oppervoogdij over alle"weeskinderen, kranksinnige, simpele ende andere diergelijcke personen ende hare goederen". Oorspronkelijk werden ze op Sint Geertruidisdag (17 maart) gekozen, maar vanaf 1622 op 24 juni, tegelijk met een deel van de nieuwe stadsbestuurders (15).

      De invallen tijdens de Tachtigjarige Oorlog maakten een nauw overleg tussen het stadsbestuur en het platteland noodzakelijk. Om die te vergemakkelijken werd een college van superintendentie ingesteld. Behalve de stadsbestuurders van Goes zaten in het college vier gecommitteerden van Zuid-Beveland. Het college had als voornaamste taak de defensie op het eiland tegen invallen van buiten. De baljuw van Goes was aanvankelijk superintendent, doch in 1629 werden beide functies gescheiden.

      De dreiging van een inval door Franse troepen in 1747 maakte de benoeming van een nieuwe superintendent echter weer nodig. De superintendent werd bijgestaan door een kapitein, een luitenant en enige mannen (de rode roe). Zij fungeerden ook als een soort plattelandspolitie (5).

      Nadat de Fransen ook de Zeeuwse eilanden hadden bezet werden de zittende stadsbestuurders op 19 februari 1795 vervangen door "provisionele vertegenwoordigers van ‘t volk van Goes". Ook de burgers van de stad werden betrokken bij het bestuur. In de vergadering van de stemgerechtigde burgers van 18 juni 1795 werd een tijdelijk regeringsreglement vastgesteld, dat zou gelden totdat de "herschepping der Bataafse Republiek voltooid" zou zijn. In plaats van burgemeesters en raden kwam er een nieuw college: de municipaliteit. Burgemeesters en schepenen werden vervangen door het Comité de Justice.

      De municipaliteit bestond uit leden, die uit hun midden een president voor een maand benoemden. De maire stond aan het hoofd van het Comité de Justice en had tevens een adviserende stem in de municipaliteit. De leden van de verschillende colleges en de maire werden benoemd door de kiezers, die op hun beurt werden gekozen door de stemgerechtigde burgers. Op 17 juli 1795 trad de nieuwe municipaliteit in functie.

      In augustus en september 1795 ontstonden er moeilijkheden; de legaliteit van het zittende college werd betwist. Nadat twee gecommitteerden van de Provisionele representanten van Zeeland orde op zaken hadden gesteld werd de municipaliteit veranderd in een provisionele municipaliteit, met tien leden, die op 21 september op zijn beurt weer werd vervangen door een municipaliteit.

      Op 2 juli 1796 werd door de burgervergadering een nieuw reglement vastgesteld. De kiezers heetten voortaan 'geconstitueerden' en de naam van de municipaliteit werd veranderd in stadsraad, die uit negen leden zou gaan bestaan. De president zou voor twee maanden fungeren. Op 4 juli 1796 trad de stadsraad in functie.

      Op 5 maart 1798 werd de stadsraad al weer bedankt en werd een intermediair bestuur aangesteld. Twee dagen later kwam het nieuwe stedelijke bestuur bijeen, later Gemeentebestuur genoemd.

      Eind 1802 werd een reglement voor het gemeentebestuur vastgesteld in opdracht van het departementaal bestuur van Zeeland. Hierin werd bepaald dat het gemeentebestuur of raad zou bestaan uit een president en acht raden, waarvan er vijf gekozen konden worden tot schepen, mits ze 25 jaar of ouder waren. De eerste maal werden de leden van de raad benoemd door het departementaal bestuur. Jaarlijkse en tussentijdse verkiezing geschiedde uit een voordracht van twee personen door het departementaal bestuur totdat er een kiesreglement in werking was getreden. Op 31 december 1802 legden de nieuwe raadsleden hun eed af.

      Door de inlijving bij het Franse keizerrijk in 1811 werd ook de Franse wetgeving van kracht. Het zwaartepunt van het bestuur kwam te liggen bij de maire. L.J. van de Spiegel werd als zodanig benoemd. Hij werd bijgestaan door twee adjuncten en door een raad. Deze "conseil municipal" werd op 23 januari 1811 geïnstalleerd. In 1813 werden de Fransen verdreven en keerde men terug tot de bestuursvorm van vóór 1795. Op 28 december 1813 legden burgemeesters en raden de eed af en namen hun zetels weer in. Het was echter duidelijk dat de tijden veranderd waren. Het tijdperk van coöptatie was achter de rug.

      In 1815 stelde koning Willem I een nieuw reglement vast voor de stadsregering. Aan het hoofd van de stad bleefde raad staan, die uit negen leden bestond, waarvan er twee burgemeesters waren. Zij werden gekozen uit de "vroedste en gegoedste ingezetenen". De leden van de raad werden voor het leven benoemd. De burgemeesters werden gekozen door de koning uit een voordracht van drie raadsleden. De raadsleden zelf werden gekozen door een kiescollege, dat uit 18 personen bestond en die op hun beurt gekozen werden door de burgemeesters, die een bepaalde som in de belasting betaalden. Op 5 januari 1816 legden de nieuwe burgemeesters en raden hun eed af.

      Een nieuw reglement werd door de koning vastgesteld in 1824. lngrijpende wijzigingen bracht dit niet met zich mee. De twee burgemeesters werden vervangen door een burgemeester en twee wethouders, die met het dagelijkse bestuur werden belast (16).

      De gemeentewet van 1851 bracht grote veranderingen met zich mee. De leden van de raad werden rechtstreeks gekozen. Om de vier jaar traden alle raadsleden af. Op 19 november 1851 werd de nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd.


      Geschiedenis van het archief en de archiefzorg

      In de landsheerlijke tijd richtte de archiefzorg van het stadsbestuur zich in eerste plaats op de privileges en andere waardepapieren. Deze waren geborgen in een van meerdere sloten voorziene ijzeren kist. Vanaf 1455 worden regelmatig aantekeningen aangetroffen over de verdeling van de sleutels onder de leden van het stadsbestuur en de controle van de inhoud van de kist. Deze kist was geplaatst in het stadhuis (17). Het merendeel van de privileges is verdwenen of verloren gegaan, waarschijnlijk op het eind van de 16de eeuw of in het begin van de 17de eeuw.

      Eerst in 1574 werd begonnen met het aantekenen van de resoluties van het stadsbestuur in een afzonderlijk deel. Dit eerste deel over de periode 1574-1594 is helaas in het laatste kwart van de 18de eeuw verdwenen (18). De inhoud ervan is gedeeltelijk terug te vinden in de uittreksels van de resoluties (19), vervaardigd door mr. Cornelis Keetlaer, door hem in 1774 aangeboden aan de stad (20). Aantekeningen van besluiten van vóór 1574 zijn vooral te vinden in de oudste "voorbodenboeken" (21).

      De correspondentie werd per jaar verzameld. Later, vanaf 1760, werden deze jaren ingebonden (22). Ze kunnen beschouwd worden als "relatieven" tot de resoluties. Bij verschillende jaren, vooral in de tweede heltt van de 17de eeuw, ontbreken nog al eens stukken, waarschijnlijk zijn deze door zware vochtschade verloren gegaan. Het merendeel van de ingekomen stukken werd vöör 1795 ontvangen door de stad als lid van de Staten van Zeeland. Concepten en minuten van uitgegane stukken worden vooral vanaf de 18de eeuw aangetroffen.

      Het archief werd met veel zorg beheerd door de secretarissen. Artikel 10 van hun instructie uit 1641 bepaalde: "Van gelijken zullen sorge dragen, dat alle registers, boeken, papieren, rekeningen en andere documenten ieder van een nature op zijn behoorlijke plaatse werden gesteld" (23). Op het stadhuis stond onder meer een loketkast waar de stukken in werden geborgen. 

      Al in de 17de eeuw werd begonnen met de aanleg van een bibliotheek, die door aankopen en geschenken regelmatig werd uitgebreid.

      Archiefstukken en boeken mochten alleen tegen een ontvangstbewijs aan personen worden afgegeven, volgens het reglement voor de grifiie uit 1766 en de instructie voor de secretarissen uit 1768. Uitleningen moesten worden aangetekend in het "recepisseboekje" (inv.nrs. 763-766) (24). Ondanks alle voorzorgen gingen nog vele stukken verloren. Dat erger voorkomen is, is echter duidelijk.

      In 1821 werd de tweede grifiier in het bijzonder belast met "het rangschikken van de registers, papieren en documenten ter stadsgriffie bewaard wordende" onder toezicht van de secretaris (25). 

      In 1827 hield de Gouverneur van de provincie van Zeeland een enquete naar de archieven in zijn gewest. In zijn antwoord rapporteerde het stadsbestuur, dat het archief zich in ordelijk staat bevond. Er was geen inventaris aanwezig, maar wel een lijst van archiefbescheiden. De aanstelling van een archivaris vond men nog niet nodig: de werkzaamheden konden verricht worden door de ambtenaren ter secretarie (26). De situatie zoals burgemeesters en wethouders die voorstelden, verschilde wel enigszins met de werkelijkheid. Het archief was her en der door het stadhuis verspreid, de lijst van archiefbescheiden was onvolledig en aan de zorg voor de stukken werd weinig aandacht besteed.

      In juni 1852 had zich in de Ganzestad de jonge advocaat mr. J .G. ab Utrecht Dresselhuis gevestigd, een zoon van de bekende historicus ds. J. ab Utrecht Dresselhuis te Wolphaartsdijk. Ongetwijfeld aangemoedigd door zijn vader, die de Goese archieven meermalen had geraadpleegd, richtte Dresselhuis jr. zich tot burgemeester en wethouders. Hij wees hen op de grote geschiedkundige waarde van de archieven en op hun functie als bronnen voor de rechten van de gemeente. De jonge advocaat bood zich aan zonder salaris als "stadsarchivarius". Burgemeester en wethouders waren zeer ingenomen met het aanbod en op 16 december 1852 werd mr. J .G. ab Utrecht Dresselhuis benoemd tot archivaris "buiten bezwaar der gemeentekas". Dresselhuis trof de archieven in een schrikbarende toestand aan. Overal in het stadhuis waren her en der verspreid archiefstukken in kasten en kisten te vinden. Lang kon Dresselhuis niet werken in de archieven want reeds op 18 november 1853 overleed hij te Goes op 27-jarige leeftijd. Een andere inwoner van Goes, de predikant dr. R.A. Soetbrood Piccardt, had eveneens veel belangstelling voor geschiedenis. Piccardt was een bloedverwant van Dresselhuis en tijdens gesprekken was hij enthousiast gemaakt voor de papieren rijkdommen op de zolders van het raadhuis. Kort na het overlijden van Dresselhuis nam dr. Soetbrood Piccardt de taak over.

      Als eerste stap verzamelde hij alle archiefstukken en bracht ze over naar een daarvoor aangewezen kamer in het stadhuis. Dr. Piccardt wijdde zijn aandacht ook aan de bibliotheek. Bij het aanbieden van een gedeelte van de gedrukte catalogus verzocht hij een benoeming tot gemeentearchivaris. Op 18 februari 1861 willigde de raad het verzoek in en stelde hem een salaris van 50 gulden per jaar in het vooruitzicht. In zijn jaarverslagen bleef Piccardt aandringen op betere berging. In zijn verslag over 1861 en 1862 rapporteerde hij: "De beschikbare ruimte tot het plaatsen van kasten is sedert lang geheel ingenomen; de kasten zijn allen volkomen gevuld en wij moeten nu reeds de enkele aanwezige stoelen innemen, om de aangroeyende menigte van documenten te plaatsen zullen die niet op den grond worden verschopt en in het stof gewenteld worden".

      Het stadsbestuur was echter maar matig te overtuigen en dr. Piccardt moest vele malen zijn klachten herhalen. Zo schreef hij in zijn verslag over 1863 en 1864 dat "langzaam maar zeker het oogenblik wordt voorbereid waarop de archivaris zich niet meer zal kunnen bewegen tusschen de papieren bergen die rondom hem verschijnen!" Het volgend jaar kreeg Piccardt inderdaad meer ruimte ter beschikking.

      Na de voltooiing van de catalogus van de bibliotheek richtte dr. Piccardt zijn aandacht meer op de inventarisatie van de archieven. De andere werkzaamheden van de predikant — hij was op velerlei terreinen actief — lieten hem weinig ruimte om veel tijd te besteden aan de archieven. Bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in 1886 kon hij eindelijk een "Catalogus" aanbieden van het stedelijk archief tot en met 1813 (27). In de "Catalogus" waren de stukken en series alfabetisch gerangschikt, met verwijzingen naar de kasten en laden waarin de stukken zich bevonden. In tegenstelling tot vele van zijn collegae paste Piccardt geen chronologisch ordening van de stukken toe, waardoor de series in tact bleven. De grote chaos waarin Piccardt de stukken aantrof heeft hem er toe gebracht de serie correspondentie niet te reconstrueren, maar de stukken te ordenen naar uiterlijke vorm en afzender. Zo werden de uittreksels uit de resoluties van de Staten van Zeeland bij elkaar gezocht, op dezelfde wijze werd gehandeld met uittreksels uit de resoluties van Gecommitteerde Raden van Zeeland en van andere bestuursorganen. Ook werden stukken afkomstig van eenzelfde bestuursorgaan bij elkaar gevoegd. Al deze stukken behoren voor het grootste deel als bijlagen bij de agenda’s voor de vergaderingen van de Staten van Zeeland. Ongetwijfeld heeft bij Piccardt de raadpleegbaarheid van het archief voorop gestaan; dat hij hiermee inging tegen het principe dat de oude orde gehandhaafd moet worden of gereconstrueerd dient te worden is duidelijk.

      In de brief waarbij hij zijn "Catalogus" aanbood wees Piccardt er op dat hij zich ervan bewust was dat aan zijn werk gebreken waren. Hij deelde verder mede: "Zoals U blijken zal is de Catalogus door mij alphabetisch ingericht; geachte ambtgenooten, die elders de Catalogi opmaakten volgden alleen eene chronologische orde. Het gevolg was, dat op den aldus ingerichten Catalogus weder een alphabetisch register moest worden gemaakt en het kwam mij daarom eenvoudiger voor, wel den tijd, waartoe de stukken behooren, wanneer deze aangegeven was, nauwkeurig aan te wijzen en de volgorde der dato zooveel mogelijk in acht te nemen, maar verder alles onder bepaalde rubrieken te brengen, die naar de letter konden gerangschikt worden" (28). De rubrieken, die Piccardt koos, waren weinig consequent. Enerzijds waren het onderwerpen, anderzijds instellingen. Piccardt had nog het voornemen de "Catalogus van het nieuw archief" (vanaf 1814) in 1886 te voltooien, maar dit lukte niet meer. De 71-jarige archivaris moest door voortdurende ziekte dat voomemen opgeven. Per 1 april 1888 werd dr. Piccardt ontslag verleend en reeds op 15 november van dat jaar overleed hij in ’s-Gravenhage.

      Zijn opvolgers als gemeentearchivaris besteedden weinig of geen aandacht aan de inventarisatie van het stadsarchief. De "Catalogus" van Piccardt voldeed goed en er was weinig aanleiding om daarin verandering te brengen. De archivarissen hadden overigens ook weinig tijd om veel aandacht te besteden aan de archieven. Voor hen was het archivariaat een bijzaak. Na het overlijden van Piccardt werd mr. N.C.H. van Daalen Wetters belast met de waarneming van het archivarisschap; hij was griffier bij het kantongerecht in Goes.

      Per 1 januari 1892 werd M.G. de Boer als archivaris benoemd; hij was leraar geschiedenis aan de gemeentelijke hogere burgerschool. Per 1 oktober werd de leraar aardrijkskunde F. Allan benoemd tot gemeentearchivaris, die op 1 januari 1896 werd opgevolgd door L. van Bruggen, directeur van de h.b.s.
      In 1918 werd J. de Kruijter, schoenhandelaar, tot gemeentearchivaris aangesteld. Deze amateur-historicus besteedde veel aandacht aan de archieven, echter vooral op het gebied van de materiële verzorging. Onder zijn bewind werd een brandvrije archiefbewaarplaats gerealiseerd in de voormalige vleeshal onder het stadhuis. 

      Per 1 september 1936 benoemde de gemeenteraad mej. dr. S.M. van Zanten Jut tot gemeentearchivaris. Zij was de eerste gediplomeerde archivaris, die tevens tot gemeentearchivaris van Hulst was aangesteld. 
      Mej. van Zanten Jut begon dadelijk met de inventarisatie van het Goese stadsarchief. De inventaris van Piccardt was achterhaald en onbruikbaar geworden. Door de weinige tijd, die zij ter beschikking had voor de inventarisatie, stagneerde dat werk en bij haar afscheid in 1944 was nog maar een klein gedeelte volgens de nieuwe regels geïnventariseerd.

      Op 16 augustus 1944 werd G. Stadermann als gemeentearchivaris aangesteld. Deze was tevens ambtenaar bij de provinciale archiefinspectie en gemeentearchivaris van Hulst en Tholen. Al die functies betekenden dat er maar weinig tijd overbleef voor de inventarisatie van het stadsarchief. Niettemin vatte Stadermann zijn taak energiek aan en in zijn verslag over 1950 kon hij melden dat vrijwel het gehele stadsarchief op fiches beschreven was. Het werk van Stadermann resulteerde in 1957 in de verschijning van de "Voorlopige, beknopte opgave van de inhoud van het oud-archief van de gemeente Goes, 1449-1851". In zijn "verantwoording" wees Stadermann erop dat zijn werk geenszins de pretentie had een definitief beschreven en samengestelde inventaris te zijn. Op verzoek van het gemeentebestuur was een duidelijk overzicht gegeven van de globale inhoud van het stadsarchief. Het overzicht was bewust beperkt gehouden en er was afgezien van uitvoerige specificaties en noten. De voorlopige nummering bleef voor de archiefbestanddelen gehandhaafd. Het overzicht was daarentegen wel opgezet volgens een verantwoord schema.

      Verantwoording van de inventarisatie

      Toen ik eind 1972 de herinventarisatie van het stadsarchief ter hand nam moest geconstateerd worden, dat Stadermann niet tot reconstructie van de serie correspondentie was overgegaan. Ongetwijfeld wegens tijdgebrek heeft hij zich beperkt tot beschrijving van de stukken en series, die hij aantrof. Overeenkomstig het restauratiebeginsel was het evenwel noodzakelijk de correspondentie te ordenen volgens de oorspronkelijke orde en daarmee de ordening van Piccardt weer ongedaan maken. Deze werkzaamheden namen veel tijd in beslag. In het bijzonder ten aanzien van de ongedateerde stukken en de uittreksels uit resoluties was het soms erg moeilijk terug te vinden bij welke agenda van de vergaderingen van de Staten van Zeeland ze behoorden of bij welke brief ze oorspronkelijk als bijlage waren ingekomen. In sommige gevallen kon ook resultaat worden geboekt door te letten op liasgaatjes en vochtvlekken.

      In de "Voorlopige, beknopte opgave" van G. Stadermann waren ook opgenomen de archieven van de gilden en schutterijen en archiefbestanddelen van onder andere het gast-, wees- en manhuis. Deze werden allen verwijderd om te zijner tijd afzonderlijk te inventariseren dan wel in te voegen in de respectievelijke archieven. 
      In de "Voorlopige, beknopte opgave" was ook opgenomen de verzameling De Witt Hamer. Deze verzameling, die door Piccardt reeds was beschreven en geheel afzonderlijk gehouden van het stadsarchief, was afkomstig van rnr. C.de Witt Hamer en bestond voor het grootste deel uit archiefstukken van diverse instellingen. Van een deel kon worden vastgesteld dat deze afkomstig waren uit het archief van de stad. In dit laatste geval werden de stukken in deze inventaris opgenomen en waar nodig op hun oorspronkelijke plaats teruggebracht. De overige stukken werden weer verenigd tot de verzameling De Witt Hamer.

      Bij de inventarisatie werden nog tal van stukken beschreven, die niet voorkwamen in de "Voorlopige, beknopte opgave". Op 10 juni 1800 besloot het departementaal bestuur van Schelde en Maas dat de archieven "verdeeld" moesten worden. De stukken betreffende de justitie moesten worden overgedragen aan de rechtbanken en die betreffende waterschapszaken aan de polderbesturen. De "overige archieven, boeken en papieren" bleven onder berusting van de gemeentebestuur. Ten aanzien van de stukken, die niet gesplitst konden worden, werd bepaald dat deze zouden blijven onder berusting van de gemeentebesturen (29).

      Tot 1720 was bestuur en rechtspraak in Goes in handen van een college: burgemeesters en schepenen. Het besluit van het departementaal bestuur betekende dat het archief van de stad voor 1720 gesplitst werd in twee delen. De stukken betrekking hebbend op de rechtspraak kwamen onder de stedelijke rechtbank. In 1812 werden de archiefbestanddelen overgedragen aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg. Na de opheffing van de rechtbank in 1877 verdwenen de stukken zelfs uit Goes naar Middelburg. In 1885 werden ze door de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg overgedragen aan het provinciaal archief van Zeeland (30). Nadat de gemeente Goes een nieuwe archiefbewaarplaats had gebouwd kwamen in 1972 de stukken weer terug, ditmaal in bewaring gegeven door de Rijksarchivaris in Zeeland.

      De stukken van burgemeesters en schepenen van voor 1720 — thans rijksarchivalia — behoorden uit archivistisch oogpunt beschreven te worden in de inventaris van het stadsarchief. Deze mogelijkheid was ook concreet aanwezig, omdat alle archivalia zich in dezelfde archiefbewaarplaats bevonden. Van dit voornemen moest echter toch worden afgezien. lnpassing in de inventaris zou betekenen, dat de rijksarchivalia herordend zouden moeten worden en opnieuw beschreven (31). Wegens tijdsgebrek moest van dit voornemen worden afgezien. In plaats daarvan is als bijlage opgenomen een uittreksel uit de "Inventaris Lasonder", meer officieel Inventaris van het Rechterlijk Archief Zeeuwse Eilanden (RAZE). Voor zover dat nodig was werden verwijzingen aangebracht naar de "Inventaris Lasonder". Een concordantie van de nummers van de "Voorlopige, beknopte opgave" van Stadermann en de inventarisnummers was wenselijk, omdat in tal van publicaties sinds 1957 tot heden verwezen is naar de voorlopige nummering. Een regestenlijst werd niet opgenomen. De bezwaren tegen het vervaardigen van regesten zijn groter dan de minimale voordelen van een regestenlijst (32).

      De inventarisatie nam meer tijd in beslag dan aanvankelijk was geraamd. Andere werkzaamheden verhinderden een vlotte afwerking. Nu het eindresultaat is bereikt gaat mijn dank uit naar de heer dr. C. Dekker, rijksarchivaris in Utrecht, die ook in verband met zijn dissertatie het stadsarchief goed kent (33). Door de verliezen die de andere Zeeuwse stadsarchieven door verschillende oorzaken hebben geleden is het belang van het archief van de stad Goes niet alleen van lokale maar ook van regionale aard. De constatering van de vroegere gerneentearchivaris van Goes, G. Stadermann "dat het Goese gemeentearchief op het ogenblik als zodanig, kan en moet beschouwd worden als het meest intacte en volledige oud-archief in de rij van de Zeeuwsche stedelijke archieven" was en is geheel op zijn plaats (34). Archivaris dr. R.A. Soetbrood Piccardt besloot de brief waarbij hij zijn "Catalogus" in 1886 aanbood met "Het archief zij verder aan uwe hoede aanbevolen en ik eindig met den wensch, dat waar de omvang zich zal blijven uitbreiden, die steeds rijker moge worden aan getuigenissen van den bloei der gemeente" (28). Aansluitend daarop mag ik een kleine eeuw later wensen, dat het Goese stadsarchief een bijdrage mag leveren tot een betere kennis van de geschiedenis van Goes, Zuid-Beveland en Zeeland.

      Goes, maart 1980, H. Uil

      Noten
      1. C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuwse eiland in de Middeleeuwen, Assen, 1971, blz. 71.
      2. L.J. Abelmann, De bolwerken van Goes, in: Zeeuwse Tijdschrift, 1978, nr. 5, blz. 167.
      3. C. Dekker, a.w.,blz. 96 e.v.
      4. C. Dekker, a.w.,blz. 298 e.v.
      5. W.S. Unger en J .J . Westendorp Boerma, De steden van Zeeland, De steden van de Bevelanden en van Tholen, II,Goes, in: Archief Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Middelburg, 1957, blz. 7 e.v.
      6. H. Uil, De Satisfactie van Goes, in: Historisch Jaarboek voor Zuid-en Noord-Beveland, 1977, blz. 7-11.
      7. C. Dekker, a.w., blz.423.
      8. Inv.nr. 3. Al eerder in 1455 had Karel de Stoute, tijdens zijn regentschap een privilege gegeven betreffende de verkiezing van nieuwe burgemeesters en schepenen, doch dit werd het volgend jaar door zijn vader, Philips de Goede, herroepen.
      9. R.A.S. Piccardt, Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes, Schiedam, 1979 (herdruk), blz.81 e.v.
      10. Inv.nr. 3.
      11. R. Broersma en R. Fruin, Correspondentien in steden van Zeeland, blz. 10-26, overdruk uit: Bijdragen en Mededelingen van het Historische Genootschap, deel XXIII en R. Fruin, Correspondentien te Middelburg en te Goes, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historische Genootschap, deel XXVI, blz. 235-237.
      12. Inv.nr. 3.
      13. Inv.nr. 3549.
      14. L.W.A.M. Lasonder, De archieven van de rechtbanken, weeskamers en notarissen, die over het tegenwoordige grondgebied der provincie Zeeland gefungeerd hebben. De Zeeuwsche eilanden 1456- 1811 (1852), ’s-Gravenhage, 1914, blz. 253.
      15. Inv.nrs. 3 en 3165.
      16. Inv.nrs.3, 43, 110, 114, 137, 138, 743-745, 759 en 760.
      17. Inv.nrs. 675, 676, 1539 en 47. De oudst bewaarde lijst van de inhoud van de kist dateert uit 1561, inv.nr. 2.
      18. Op 13 december 1776 werd dit deel voor het laatst uitgeleend aan het raadslid J .A. Eversdijk. De gebruikelijke aantekeningen van restitutie ontbreekt hier (inv.nr. 764). In 1782 vluchtte Eversdijk uit Goes, op verdenking van diefstal.
      19. Inv.nr. 47.
      20. Inv.nr. 37, 10 september 1774, folio 46v.
      21. Inv.nrs. 675 en 676.
      22. In de instructie voor de secretarissen van 1789 werd in artikel 8 bepaald dat alle correspondentie per jaar moest worden ingebonden. Inv.nr. 390.
      23. Inv.nr. 777. Ondanks de duidelijke voorschriften gebeurde het nogal al eens dat stadsbestuurders archiefstukken met zich meenamen en in huis hielden. Zo had de in 1692 gevangengenomen burgemeester Adolph Westerwijk onder meer het groot-privilegeboek in zijn bezit (inv.nr. 20). Ook in de boedel van de oud-burgemeester en secretaris mr. J. Keetlaer A.f. bleken zich in 1760 verschillende archiefstukken te bevinden, waaronder resoluties (inv.nr. 33).
      24. Inv.nrs. 688 en 777.
      25. Inv.nr. 780.
      26. Inv.nr. 505 (nr. 284).
      27. H. Uil, Lijst van de archieven en verzamelingen in de gemeentelijke archiefbewaarplaats van Goes, Goes, 1975, blz. 5-8.
      28. Archief van de Gemeente Goes, Correspondentie 1886 (nr. 111).
      29. Inv.nr. 405.
      30. L.W.A.M. Lasonder, a.w., blz. 254.
      31. In de inventaris van Lasonder zijn archiefbestanddelen van burgemeesters en schepenen, van commissarissen van het landrecht en van het consignatiekantoor door elkaar beschreven.
      32. Vergelijk: C. Dekker, Het regest, in: Nederlands archievenblad, 1973, blz. 360-373.
      33. Zie noot 1.
      34. Gemeente Goes, gedeelte 1930-1969, voorl.inv.nr. 154/4, jaarverslag van de gemeentearchivaris over 1950.

  • Hele toegang (NL-GAGOES-1.1-001, het archief van de Stad Goes, (1267)1449-1851(1927), Goese Inventarissen nr. 1)